Pedelg in houtskool

Pedelg in houtskool

Het begon allemaal als een onschuldig uitje, een zondagmiddag met de dochter van tien door de wind op de fiets naar een open workshop modeltekenen bij de kunstenaarsvereniging. Geen inschrijving nodig, gewoon naar binnen wandelen en je potlood of houtskool tegen een vooraanstaand stadsgezicht zetten. Want de modellen waren niet de minsten: de burgemeester zat er pontificaal bij, een journaliste, een Leidse dichter die zijn blik strak op oneindig hield, en ook de pedel van de universiteit —toga en al—poseerde in volle ernst.

Ze keek haar ogen uit. Niet zozeer naar de modellen, maar allereerst naar de andere kunstenaars. Mensen met hoeden, veel ringen, ezels met karakter, en handen die al zwart waren voordat de houtskool het papier raakte.

Ze kreeg een vel papier, een staafje houtskool en een kneedgum in de hand gedrukt. En toen begon het. De strijd tussen loslaten en vasthouden. Terwijl anderen grof stonden te vegen, bleef zij haar gum koesteren als een teddybeer: terugtrekkende lijnen, corrigeren, perfectioneren. De begeleidend kunstenaars moedigden haar resoluut aan om te durven. ‘Trek die toga maar helemaal door tot de bodem van je blad, zie eens hoe hij dan torent. En zet je houtskool maar aan. Harde lijnen, doet geen pijn.’

Geen zoetsappige kinderpraatjes, geen hoog stemmetje, gewoon de taal van het atelier. En zij, alsof ze al jaren tussen hen werkte, knikte enkel en zette door.

Ondanks haar voorliefde voor detail (of misschien juist dankzij), legde ze een portret neer waar de pedel nog van zou blozen. Waar anderen tevreden hun grove schetsen oprolden en vertrokken, bleef zij nog even doormieren op de staf van de pedel. Elk krulletje, elke lijn moest kloppen. En zelfs toen het model met een gedragen “hora est” zijn sessie beëindigde, nam zij nog de tijd om achter haar model een universiteitsgebouw te tekenen. Voor de duidelijkheid. Geen misverstanden over de werkplek van deze “pedelg” zoals ze zelf op haar schets schreef. Misschien geïnspireerd door het accent van de rondlopende docent.

Aan het einde van de middag moest ze letterlijk het pand aan haar capuchon uitgesleept worden. Niet uit onwil, maar omdat ze haar natuurlijke habitat had gevonden. Houtskoolvingers, precisiestafjes, complimenten die hout sneden, ze stond ertussen alsof het de normaalste zaak van de wereld was.

Dat ze een kunstenares in de dop is, wisten we allang. Maar deze zondag bewees ze het. In houtskool. Zwart op wit.

Alsof ze thuiskwam in een atelier dat al jaren op haar wachtte.

Monopoly

We spelen Monopoly. In geen jaren gedaan, maar het spel heeft een comeback gemaakt. We zijn nog maar net begonnen of de oudste, met een brein als een klassieke symfonie vol grootse strategieën, begint al met onderhandelen alsof hij de Wolf of Wall Street zelf is. ‘Als je mij Spui niet geeft voor Dorpstraat en twee tientjes, smijt ik het bord omver.’

De dochter van dertien zit erbij als een rekenmachine op tilt. Ze is zo druk bezig met het uitrekenen van alle elf mogelijke uitkomsten van iedere dobbelworp van iedere speler voor de komende vier beurten, dat ze nauwelijks merkt dat de jongste al drie keer hardop heeft gevraagd of iemand nog huur voor Biltstraat wil incasseren. Als ze uiteindelijk uit haar wiskundige trance opduikt en merkt dat ze inkomsten is misgelopen, vliegen er prompt huizen door de lucht.

Ondertussen zit de tweelingbroer van dertien stilletjes aan zijn Amsterdamse imperium te bouwen. Geen drama, geen grote mond. Gewoon kalm sparen en opstapelen, zoals hij kan als geen ander. Terwijl de rest verzuipt in chaos en gebroken deals, heeft hij zijn vastgoedportefeuille al zo stevig staan dat hij zich kan veroorloven om op z’n lauweren te rusten. Elizabeth Magie, de uitvinder van het spel zou hem direct-naar-de-gevangenis-ga-niet-door-start sturen met zijn geslaagde kapitalistisch aanpak.

De zoon van vijftien is intussen geïrriteerd omdat ‘het allemaal zo lang duurt’ bij de jongste. Die heeft echter te dealen met mama die op het electriciteitsbedrijf is geland en 400 keer 9 is ‘de moeilijkste som ooit’.

‘Geef mij dan de waterleiding,’ snauwt ze naar de boze broer, ‘dan kan ik sneller rekenen.’

Ik speel intussen een kleine bijrol in het spel: Hoppend van het ene Kanskaartje naar het andere Algemeen Fonds. Wat Algemeen Fonds precies betekent, vraagt de jongste zich af. ‘Is dat iets met piraten of zo, met die schatkist?’

Waar de rest speelt met een auto, een hond, een hoge hoed, een boot, is mijn pionnetje een oude moer. Geen idee hoe die ooit in het spel verzeild is geraakt, maar nu zwerft het als eeuwige klaploper door de steden van het speelbord. Ik heb alleen Station Noord weten te bemachtigen, het minst bezochte station van allemaal. 

‘Misschien is mankomanie meer jouw spel,’ oppert de moeder van het stel.

Mijn geld ligt een beetje op een zielig hoopje, wat de dochter van dertien tot waanzin drijft. Haar stapels liggen er keurig bij, tot op de cent nauwkeurig uitgelijnd als een OCD-meesterwerk.

Uiteindelijk eindigt het spel zoals altijd: in chaos, met dobbelstenen die onder de tafel rollen en kinderen die ‘vals!’ en ‘oneerlijk!’ roepen. Het bord blijft liggen. De moer blijft zwerven. De zoon van dertien blijft verdienen. 

En zo is Monopoly niet alleen een spel, maar een gemankeerd spiegelbeeld van wie we zijn. Op dat cynische spelbord zie je precies hoe iedereen het leven aanpakt: berekenend of juist impulsief, stil strategisch of luidruchtig onderhandelend. Terwijl ik naar mijn kinderen kijk die vechten om kartonnen rijkdom, besef ik maar weer eens dat de échte winst niet in het bankbiljettenstapeltje zit maar in dit moment: in de verontwaardigde gezichten, de triomfantelijke kreten en zelfs in de weggerolde dobbelsteen die niet telt omdat-ie op de grond ligt. Dit is wat overblijft als de bank failliet gaat: een familie die samen speelt, stoeit en lacht. Als je dat niet hebt, zou Elizabeth Magie zeggen, stelt al je fortuin geen mallemoer voor.

Meivakantie. Alweer

Het is meivakantie. Waar kwam die ineens vandaan? De kerstbomen liggen nog in de sloot achter het tuincentrum, als gestrande scheepswrakken, en om de voet van het prunusboompje in de straat ligt nog steeds een ring van vuurpijlresten, alsof Oud & Nieuw net gisteren was.

De dertienjarige is met mama een weekje op pad, een traditie die ooit met zijn oudere broer begon en waar nu jaarlijks ernstig naartoe geleefd wordt, als een soort rite-of-passage. Om het huis niet al te leeg te laten voelen, hebben we er maar een logeetje bij gehaald. Je kent dat wel: extra slippers in de gang, gegiechel bij het ontbijt, stemmen die net iets te laat op de avond nog opflakkeren.

Bij onze dochter van tien kent het logeren inmiddels een vast ritueel. Deels herhaling van beproefde successen, deels imitatie van de wereld van de zoete zusjes. Pannenkoeken eten, film kijken, slapen in de woonkamer, en natuurlijk: naar het zwembad, en dan meteen bij thuiskomst: “Mogen we lunchen met tosti’s? Of wafels?”

Als het geen Pasen is of “papa-dag”, moet ik ook gewoon naar werk. Dat is vreemd en tegelijkertijd… ze redden zich wel. De oudste zoon fungeert als een soort waarnemend burgemeester, streng doch rechtvaardig, terwijl de zusjes vooral hun eigen anarchistische republiek besturen. Aan het eind van de dag is het meestal goed gegaan. Soort van.

Vandaag was er een klein incident: een kussengevecht liep uit de hand. Niet qua geweld, maar qua pluimen. Er waait nu een soort permanente donsbloesem door de woonkamer. Het is lente, zeggen ze.

En dan dropt Google Photos weer zo’n herinnering: een peuter op het strand, met zwemvleugeltjes, een kinderliedje galmend door een mond vol soepstengel.
Je hart smelt.
Ik mis ze nog weleens, die kleintjes.

Maar weet je, het mooie is: we kunnen ze nog zien. Terugspoelen. Stilzetten. Even vasthouden. Wat een rijkdom is dat. Zij zijn de eerste generatie die hun jeugd kunnen terugkijken als een serie met seizoenen. Terug naar aflevering 1, wanneer je maar wilt. Van mij bestaan er misschien dertig foto’s tot mijn zestiende. Ik blaas in mijn fotoalbum op één en dezelfde pagina de kaarsjes uit op verjaardag zes, zeven, acht. Een zomervakantie in 1986 is vastgelegd in twaalf foto’s, waarvan drie onscherp zijn door een vinger voor de lens.

Maar zij? Zij hebben alles. En dat is niet alleen nostalgie. Het is een levend archief. Ze kunnen straks terugzien wie ze waren, hoe ze gegroeid zijn. En tegelijk groeien ze door. Want logeerpartijtjes gaan voorbij. Tien wordt elf, elf wordt dertien. Er komen nieuwe rituelen. Audities. Waterwerkweek, Rome-reis. Eerste liefdes, misschien. Eigen playlists. En toch, onder dat alles, klinkt nog steeds dat oude deuntje, die kinderstem met spaghetti, ergens onder de oppervlakte.

En als je goed luistert, hoor je het nog. Als ze zelf tosti’s staan te maken.

Of is dat de rookmelder omdat iemand op “extra knapperig” heeft gedrukt?!

Tussentijd

In alle vroegte is het huis een soort tussenstation. De zoon van dertien gaat op waterwerkweek dus we moeten eerder de deur uit dan normaal. Plunjezak gepakt, tanden gepoetst, schoenen aan, auto in. 

‘Wil je dat ik blijf tot de bus vertrekt? En dat ik zwaai?’

‘Oh prima, wat jij wil. Nou eigenlijk,’ ineens is er twijfel, ‘weet ik niet, we kijken wel hoe het is als we er zijn.’ 

Op de parkeerplaats staat een handjevol ouders, nul bij zijn groep. 

‘Oké pap, ga maar. Tot over drie dagen.’ Hij hijst zijn tas over zijn schouder en zet koers naar zijn groep. Zijn lievelingsdocent staat in het midden. Geluk bij het indelen. Score.

Later die dag is het stil in huis. De dochter van dertien is de stad in met vriendinnen. De oudste zoon verschanst zich op zijn kamer. Volgens eigen zeggen om te leren voor Grieks, maar de beats van De Bankzitters dreunen uit de boxen. Kennelijk bevordert dat het studeren.

De jongste dochter grijpt haar kans: ‘Poldertje pakken?’

De polder is haar terrein. Haar lucht, haar grond, haar vogels. En dat merk je. Alsof haar voeten weten wat ze doen, waar ze heen moeten, zonder plan. 

Maar er is wel een plan. We gaan kijken bij de zwaluwwand. Niet te dichtbij! Ze wil kijken of er al nesten zijn. Die zijn er.

We zien een fazant wegsprinten in de berm en genieten van de lisdoddes langs het water. Ze pluist een sigaar open. 

‘Maak er een foto van,’ commandeert ze.

Ik probeer het, maar de gewichtloosheid van het moment is niet vast te leggen, het valt uiteen in wolkjes dons.

Als we weer verder gaan wil ze op mijn fiets. Veel te hoog, maar het lukt gewoon. Ze is groter dan ik denk. Jammer dat we niet naar de bunker kunnen omdat de grutto’s en kieviten in dat gedeelte nestelen. 

‘De Canadese ganzen zitten er toch ook?’

‘Ja, maar kijk dan: dat levert die kieviten al stress genoeg op.’

En tot overmaat van ramp: kraaien op de molenwiek. Symboliek als je wilt.

Bij de picknickplek achter de molen ligt het vol met rotzooi.

‘Wat is hier gebeurd?’

‘Pubers.’

‘Pokkepubers.’

We rapen de blikjes energydrank op en gooien ze in de prullenbak, drie meter verderop.

We gaan een stukje over de brug, tot over het wildrooster. Die vind ze eigenlijk eng.

‘Maar ik moet oefenen.’

Een haas schiet voor ons weg uit het riet, maar ziet tot zijn schrik van de andere kant ook mensen aankomen. Hij rent op en neer, tussen ons en de tegenliggers in, gevangen tussen twee wateren die net te breed zijn om overheen te springen. Dan kiest hij een kant, spurt langs de oever, voorbij de wandelaars, en verdwijnt triomfantelijk in de verte.

Op de terugweg wil ze hardlopen omdat ze energie over heeft.

‘In de polder laad ik me altijd op,’ zegt ze.

En ik snap dat. Ik snap dat helemaal.

Concertgebouw

We gingen met het hele gezin naar het Concertgebouw, voor de eerste keer. Vier kinderen, vier persoonlijkheden, en een ochtend vol filmmuziek van de groten der aarde. Het Radio Filharmonisch Orkest speelde de klanken van John Williams en Alan Silvestri, met een vleugje Ennio Morricone. Voor de ingang, op het grasveld van het Museumplein, probeerden we een gezinsselfie te maken. Cringe! De pubers hebben een afkeer voor alles wat ook maar in de buurt komt van gezinsbinding in het openbaar.

Eenmaal binnen waanden we ons in een andere wereld. De dochter van tien had zich van tevoren vooral afgevraagd of het interieur uit pure pracht en praal zou bestaan; kroonluchters, bladgoud, een en al grandeur. Ze werd niet teleurgesteld. Met ogen als schoteltjes nam ze de zaal in zich op, duidelijk onder de indruk van de koninklijke ambiance.

De zoon van dertien, een geboren theaterdier, was in zijn element. Hij ademde de sfeer in, alsof hij zelf op het punt stond het podium te betreden. De dochter van dertien daarentegen voelde zich vooral ongemakkelijk in haar nette outfit. Waar zij het liefst in een hoodie en een ballonbroek de wereld trotseert, was de dresscode hier net iets…anders. Awkward.

De zoon van vijftien maakte zich vooral boos over de onvermijdelijke geur van ‘oude mensen’ in het gebouw. Een concertzaal vol klassieke muziekliefhebbers, dat rook volgens hem naar een mix van antiek meubilair en incontinentie-luiers. Maar toen de eerste klanken van het 20th Century Fox-anthem de ruimte vulden, was ook hij om. Zijn aanvankelijke tegenzin smolt verder weg met elke noot van het orkest, en tegen de tijd dat de ochtend werd afgesloten met de thema-muziek van Indiana Jones, applaudisseerde hij zelfs ongegeneerd mee.

Mama, groot filmliefhebber, zat op het puntje van haar stoel en genoot met volle teugen. De muziek bracht haar terug naar de magie van haar favoriete films, en ikzelf genoot op twee niveaus tegelijk: van de meesterlijke muziek die de zaal vulde, en van de subtiele veranderingen in de gezichten van mijn kinderen. Van de verwondering, het ongemak, het plezier en de verrassing. 

Na afloop keek de oudste zoon hoofdschuddend naar de lange rij die zich vormde voor het damestoilet en mompelde: 

‘Waarom is het hier zo druk? Bij de heren staat niemand.’ 

De dochter van dertien giechelde. 

‘Jij hebt nog veel te leren.’ 

Ondertussen had de zoon van dertien ontdekt dat de kliklijsten in de foyer open konden. Voor we het wisten, hing hij de aankondigingen ondersteboven. 

‘Kunst moet verrassen.’

De jongste dochter draaide een pirouette in de Spiegelzaal en keek lachend naar haar weerspiegeling.

Buiten gekomen, straalde mama van de knut.

‘Heerlijk. Mijn favoriete muziek met mijn favoriete mensen in mijn favoriete concertgebouw!’ 

De oudste zoon knikte.

‘Het was 100 procent wel aardig. Maar ik ben vooral blij weer frisse lucht te kunnen ademen.’

We liepen een zonnige lentedag in en ik denk dat in ieders hoofd op dat moment de achtergrondmuziek van Hollywood speelde. Of het nou de Pink Panter was, of Back to the Future, Harry Potter, Star Wars, Vangelis, The Godfather – het was de soundtrack van een perfecte zondagochtend.

Zaanse schans

Een dagje Zaanse Schans met een puber. Je weet van tevoren nooit helemaal hoe het gaat uitpakken. Wordt het een Insta-waardige trip met veel lol en quality time, of eindig je als de zoveelste gênante ouder die ‘echt niet zo raar hoeft te doen’? Gelukkig viel onze expeditie in de eerste categorie.

De dochter van dertien werkt aan een schoolproject over chocolade en dus was een bezoek aan de Verkade Experience in het Zaans Museum een schot in de roos. De geur van cacao, de nostalgie van de oude machines en de kneuterige, maar omvangrijke industrie van vorige eeuwen: het was indrukwekkend. We maakten onze eigen chocoladewikkel, testten of we de meisjes van Verkade bij konden benen (spoiler: nee), en proefden ons door een kleine selectie Nizza, Maria kaakjes en chocolade digestives.

Tussen de bedrijven door vermaakten we ons met het observeren van de buitenlandse toeristen die massaal selfies maakten met de molens op de achtergrond. De Zaanse Schans in het echt? Bijzaak. Het ging om dat ene perfecte plaatje. Het had iets vertederends en tegelijkertijd onbedoeld komisch.

Maar de echte winst van de dag? Tijd samen. Hoe ouder ze worden, hoe lastiger het is om zulke momenten te plannen. School, vrienden, TikTok, alles trekt en roept, en ergens in die chaos probeer je als ouder nog een voet tussen de deur te krijgen. Deze dag was zo’n zeldzaam moment waarop dat lukte.

We sloten af met een lunch in het park, en als toetje nog een bezoek aan de kinderboerderij. Daar volgde een mooi besef: vroeger leek alles groter. 

‘Was dit altijd al zo klein?’ vroeg ze, terwijl ze naar de hokken keek. 

Even was het nog ongemakkelijk om de konijnen te aaien, omringd door peuters en opa’s en oma’s met buggy’s. Maar toen kwamen de geitjes. En tegen jonge, opdringerige geitjes is geen enkele puber bestand. Je kunt nog zo cool proberen te blijven, maar als een babygeit enthousiast tegen je aanspringt, gooi je die façade net zo snel af als een chocoladewikkel.

Missie geslaagd.

Stadsdichter

‘Is het alweer drie jaar geleden?’ vraagt de dochter van tien, terwijl ze haar boterham dubbel vouwt en nadenkend op de rand kauwt. Dan fronst ze en telt op haar vingers. 

‘Drie jaar is meer dan een kwart van mijn leven!’ zegt ze met een mengeling van verbazing en lichte verontwaardiging, alsof ik persoonlijk verantwoordelijk ben voor de tijd die zo onredelijk snel is gegaan.

Toch is het frappant. Er zijn tradities die minder voorspelbaar zijn dan mijn naam op de shortlist voor stadsdichter. Sommige mensen krijgen elk jaar een kerstkaart van een verre oom, ik krijg om de drie jaar een nominatie.

Drie jaar geleden was ze zeven en had ze haar bedenkingen. Niet over de poëzie zelf, maar over mijn uitstraling. 

‘Je hebt geen stropdas,’ zei ze bezorgd. ‘Hoe ga je daar dan op dat podium staan?’ Alsof de kans groot was dat ik als een soort poëzie-clochard zou verschijnen,  in een afgedragen pyjama met een koffievlek op mijn mouw.

Nu is haar blik anders. Minder gefixeerd op de verpakking, meer op de inhoud.

‘Wat schrijf je dan als stadsdichter?’ vraagt ze, terwijl ze haar boterham afbijt.

‘Dat ligt eraan,’ zeg ik. ‘Over de stad, over wat er speelt.’

Ze kauwt bedachtzaam. ‘Dus… over de Streekbuzz die altijd door rood rijdt?’

‘Zou kunnen.’

‘Over de man die altijd fietst met een hand in zijn zak.’

“Misschien.’

‘Of over de hortus? Of de vogels in het plantsoen?’

Het is alsof ze mentaal ons laatste tripje door de stad langs loopt. 

‘Ook een optie. Allemaal mooie onderwerpen.’

Ze haalt haar schouders op. ‘Ja, maar eigenlijk schrijf je dat soort dingen toch al?’

En daar heeft ze een punt. Ik schrijf al over kleine dingen die groot blijken te zijn en grote dingen die in een paar regels passen. Of ik nu op die shortlist sta of niet, de stad blijft dezelfde stad, de woorden blijven komen.

‘Als je het nu niet wordt,’ zegt ze, ‘dan ben je er over drie jaar toch gewoon weer bij?’

En dat is misschien de juiste manier om het te zien. Niet als een wedstrijd die je wint of verliest, maar als een ritme waarin je meebeweegt. Soms als genomineerde, soms als toeschouwer, altijd als schrijver.

Voor nu wacht ik af. En als het niet lukt, nou ja, over drie jaar ben ik er gewoon weer. Net als die kerstkaart van die verre oom.

De kleine dingen

Het is stil geweest op dit blog. Er overleden mensen, we werden ziek, werk ontplofte. Onvermijdelijk gevolg: Burn out. Het is een cliché van onze tijd, maar ik heb me overgegeven aan de mantra: accepteren. Of zoals mijn veel te vroeg overleden broer het zei: ‘Hé, als dit het is, is dit het.’

Er zijn dagen dat mijn lichaam voelt als een huis dat langzaam verzakt. De muren staan nog overeind, maar de scheuren zijn zichtbaar, en ergens onder de fundering knaagt iets onzichtbaars. Mijn voeten slepen zich voort, mijn hoofd voelt als een mistige vlakte waar gedachten verdwalen voordat ze hun bestemming bereiken.

En dan komen zij binnenstormen. Vier wekkers op pootjes, elk met hun eigen manier om me overeind te houden. De oudste zet zwijgend een kop koffie voor me neer. Niet omdat hij het per se begrijpt, maar omdat hij heeft gezien dat het helpt. De tweede heeft een andere aanpak: een verhaal, half verzonnen, half echt, verteld met de energie van een talkshowhost die weet dat stilvallen geen optie is. Ik móét reageren, hoe moe ik ook ben. De derde kruipt naast me op de bank en leunt gewoon tegen me aan, zonder woorden, zonder verwachting. En de jongste? Die kiest chaos als medicijn. Springt op mijn rug, eist een potje tackle-ballet, een dans, een kietelaanval. “Pap, je moet bewegen, anders val je om!” En ze heeft nog gelijk ook.

Ze helpen, elk op hun manier. Niet met grote gebaren of diepgaande gesprekken, maar met een kop koffie, een woordenvloed, een stil moment, of een duik in de strijd. En ik? Ik blijf staan, omdat vaders dat doen. Omdat er weer een dag komt waarop de muren steviger voelen en de fundering zich herstelt. Tot die tijd leun ik op de kleine dingen. Op hen.

In case of calm, keep calm

Met vier kinderen naar een vakantiepark in Duitsland – dat is al een avontuur op zich, laat staan dat het huisje bovenaan een berghelling ligt en beschikt over een open haard die zich ontpopt tot het favoriete speelterrein van de veertienjarige pyromaan-in-opleiding. Voor hem was de haard niet zomaar een warmtebron, maar een kunstinstallatie van zorgvuldig opgebouwde piramides van scharrelhout, met hier en daar een strategisch geplaatste papieren vliegtuig dat dienst deed als aanmaakblokje.

Zoals dat hoort bij Duitse degelijkheid, hing er een drietalige instructie voor wat te doen in het geval van brand, handig voor het geval de piramide niet helemaal volgens plan zou verlopen. Het leek wel alsof de vertaling van het Duits iets aan betekenis verloor in de andere twee talen. De kopregel in het Engels was een stukje filosofie op zich: “In case of calm, keep calm.” Een vertaling die halverwege het proces wat glans verloren had, maar op zijn eigen wijze briljant was. Het lijkt een levensmotto waar je op kunt bouwen. Want zeg nou zelf: bij kalmte gewoon kalm blijven, dat kunnen we allemaal wel wat vaker toepassen, toch?

Natuurlijk zijn we ook op ontdekking gegaan buiten het park. Een boswandeling, een waterval, een paar kleine dorpjes die rechtstreeks uit een prentenboek kwamen, met keienstraten en geurende bakkerijen waar pretzels en Apfelstrudel in de vitrine lonkten. Maar eerlijk is eerlijk, we hebben vooral ongegeneerd gebruikgemaakt van alles wat het park zelf te bieden had. Tafelvoetbal, zwembad, minigolf, het hele pakket. Elke activiteit werd zorgvuldig getest, beoordeeld en opnieuw getest, want ja, je moet wel zeker weten dat de vakantie écht vakantie is.

Ergens halverwege de week voltrok zich een epische beachvolleybalwedstrijd tussen ouders en zonen, terwijl de dochters het zwembad opzochten. Onder het motto “overkant is overkant” werd elke discussie over ‘oneerlijke punten’ snel de kop ingedrukt. Met de voet gespeeld, één keer aangeraakt, zand gegooid: Alle protesten werden weggewuifd. Bal over het net? Punt. Overkant is overkant.

En dan was er nog Bollo. Of liever gezegd, niet. ‘Die beer is er toch nooit,’ berustte de dochter van tien zich erin. ‘Die komt op zaterdag zijn post ophalen, en dan is hij weer weg.’ Er was inderdaad geen Bollo te bekennen, geen vrolijk geplaatste klap op de schouder, geen zwaaiende poot om kinderen welkom te heten. Of misschien voelde hij de kalme chaos van onze crew al van verre aankomen en besloot hij zijn heil elders te zoeken. Ook dat is tenslotte een manier om rustig te blijven in tijden van kalmte.

Zo’n midweek vliegt voorbij. Voordat we het in de gaten hadden waren we alweer onderweg naar huis. Ter hoogte van Venlo riep de dochter van tien vanaf de achterbank een welgemeende ‘scheisse!’
‘Wat is er? Ben je iets vergeten? Misselijk?’ Bijna sloeg de paniek alsnog toe.
‘Nee, maar nou ben ik in Duitsland geweest, heb ik nog geen apfelstrudel op!’

Partijtje

De dochter van negen werd tien en gaf een partijtje. Wat dit feestje extra speciaal maakte, was hoe ze, na een jaar op een nieuwe school, toch ook drie kinderen van haar oude school uitnodigde, inclusief een jongen. Het begon allemaal vrij ontspannen. Ze hadden er zin in. Voor de lunch had ik pannenkoeken en broodjes knakworstjes geregeld, de klassiekers. Ze doken erin alsof ze een week niet gegeten hadden, maar dat had ik voorzien. Er was zat. 

Onderwijl beloerden ze elkaar als katten, elk klaar om de andere te bespringen. De meiden van de nieuwe school keken af en toe stiekem naar de jongen van de oude groep, die op zijn beurt probeerde nonchalant te doen. Het was een soort sociaal touwtrekken zonder touw. 

De dochter van tien brak de ban. 

‘Wie heeft er weleens een pannenkoek met knakworst én stroop gegeten?’

Ze keken elkaar aan, hun nieuwsgierigheid gewekt.

‘Nog niet,’ zei de jongen terwijl hij een knakworst in zijn pannenkoek rolde en er stroop overheen goot. Binnen no-time was de spanning opgelost. Lachend begonnen ze allemaal mee te doen, met knakworsten en stroop overal. En hoewel het kampenspel nog niet volledig verdwenen was, had mijn dochter als een kleine diplomaat een wapenstilstand afgekondigd, al was het maar voor de duur van een pannenkoek met knakworst.

Enfin, het leek erop dat alles onder controle was. Voor even dan.

Toen we in de auto stapten om naar het zwembad te rijden, dacht ik nog even naief dit gaat wel goed komen. Maar toen stonden we stil voor de open brug en daar stond pal voor de slagboom, midden op de weg, Luuk Steen met een voetbal te jongleren alsof het de normaalste zaak van de wereld was. Achter mij stak een hoofd uit het raam en werd wild ‘Luukie! Luukie!’ geroepen. Luuk zwaaide enthousiast terug en deed nog een kunstje speciaal voor ons.

‘Hopelijk vliegt zijn bal het water in,’ zeiden ze tegen elkaar, maar wel gezellig zwaaien natuurlijk.

Eenmaal bij het zwembad hadden ze amper hun badpak aan of ze stormden met z’n allen de glijbaan op. Natuurlijk, alle zeven tegelijk, want waarom ook niet? Toen ze op een hoopje beneden uit de glijbaan plopten, stond daar de badjuf.

‘Hallo daar, wie denkt dat dit een goed idee is?’

De kinderen stonden schuchter te knikken terwijl ze de wet der glijbanen uitgelegd kregen. Ik bekeek het van een veilige afstand. Die badjuf had het wel onder controle.

Na het zwemgeweld was het tijd voor frietjes in de kantine. Dat was het plan althans, tot we ontdekten dat onze gereserveerde tafel geen stoelen meer had. Zwemlesmoeders hadden ze zonder een greintje schuldgevoel weggehaald. De kantinebaas, een bezwete man die met zijn theedoek over zijn voorhoofd wreef, haalde verslagen zijn schouders op. Geen controle, geen stoelen, ik voelde met hem mee.

Tussen de schoolgroepjes was geen spanning meer over. Het werd zelfs zo gezellig, dat ze spontaan besloten om flesje te draaien. Dat was het moment waarop ik wist dat we moesten inpakken.

Na een toetertoer om iedereen thuis te brengen – deze keer gelukkig zonder open brug en Luuk Steen – was het feest voorbij. 

Thuis bekeken we de foto’s van de dag nog eens.

‘Wat was je hier aan het doen?’ vroeg ik aan de dochter-van-nu-echt-tien.

‘Ik moest gewoon even mediteren. Een partijtje geven is echt hard werken.’

Ik begreep het maar al te goed. Zelfs de grootste diplomaten moeten af en toe gewoon even… drijven.