Zomervakantie

We proberen er elke zomer een paar weken tussenuit te gaan. Ook al geloof ik niet zo in het hele ‘opladen’-gedoe en de noodzaak afstand te nemen van je dagelijkse beslommeringen, herken ik wel het plezier van je omgeving te veranderen. Er zijn mensen die niet van reizen houden en met onze vier kinderen kan ik me daar goed in verplaatsen. 800 kilometer reizen met een meute kinderen, is soms best wel een beetje een uitdaging.

Mijn vrouw is echter een kampioen in voorbereiding. Zij neemt allerhande vermakelijke en afleidende spelletjes en speelgoedjes mee die op gezette intervallen aan de kinderen uitgereikt worden. Zij anticipeert eet- en rustmomenten, plaspauzes en -afgezien van incidentele overgeefcrises- hebben we het meestal aardig onder controle.

De sleutel is de trip methodisch te benaderen en de snelheid aan te passen aan het ritme van de kinderen. Dit klínkt misschien als wazige praat, maar betekent in feite niets meer dan dat je één ding tegelijk moet doen en alles rustig aan.

Mindfulness in een notendop.

Ook op de bestemming zelf, houden we hetzelfde tempo aan. Ons vakantie motto: ‘dagje op, dagje neer.’ Zo maken we de ene dag een tripje, en luieren we de volgende in het gras. Ook wisselen we onze eigen interesses af met de kinderen. Wij bezoeken graag leuke middeleeuwse plaatsjes in de Dordogne, maar dat wisselen we af met een dagje in het zwembad of combineren het met speeltuin en park.

Het mooiste is als je de twee kunt combineren. Dit jaar gingen we bijvoorbeeld naar een middeleeuws fort aan de Loire waar de kinderen konden rond dazen op de binnenplaats en de torens beklimmen terwijl wij de architectuur en rijke geschiedenis bewonderden.

Onze lunch was een picknick aan de voet van de Donjon van het fort en ik deelde mijn enthousiasme met de kinderen: ‘Wauw, we zitten gewoon op een plek waar Jeanne d’Arc nog is geweest en waar Richard Leeuwenhart ooit rondliep!’ ‘Ja!, reageert Aidan enthousiast, ‘en als we nou nog een kikker zien, zou het helemaal gaaf zijn.’

Dood. Soort van.

moon

Het is onvermijdelijk. Op enig moment realiseert ieder kind zich dat het sterfelijk is. Voor het ene kind leidt dit tot nachtmerries of slapeloze nachten, voor het andere tot plotselinge paniekaanvallen. Voor weer een ander kind allemaal. Het is allemaal onderdeel van de ontwikkeling van zogenaamde permanentie in hun zelfbewustzijn. Het kind kan een jongere versie van zichzelf identificeren in foto’s, maar heeft ook een concept van een toekomstige zelf. Daarom kan het, cruciaal, ook zijn eigen sterfelijkheid bevatten.

Je kunt er als ouder niet veel aan doen, behalve troosten en afleiden. Je kunt het kind niet vertellen dat het allemaal wel goed zal komen. Al leven we in een tijdperk van wetenschappelijke doorbraken en leren biologen steeds meer over veroudering en hoe het proces tegen te gaan, het blijft voorlopig een veilige aanname dat we uiteindelijk allemaal overlijden. Troost ligt besloten in het genieten van het moment, waarderen wat je hebt en van het leven genieten terwijl het zich om je heen afspeelt. Je moet het kind terugbrengen naar het hier en nu van een oneindige tegenwoordige tijd.

Tenzij je religie hebt, want dan is er helemaal geen eindigheid. Dan heb je een afterparty om naartoe te gaan en is de dood slechts een transitie van één bestaansvorm naar een andere. Wij, echter, zijn niet gelovig dus ik heb geen prachtig hiernamaals om mijn kinderen in het vooruitzicht te stellen. Dat lijkt ook helemaal niet uit te maken want Thomas heeft het al helemaal uitgedoktert:

‘Kijk, iedereen gaat dood en dan vliegen ze omhoog de lucht in, want dat is de hemel. Dat is waar de dode mensen zijn. Zij slapen, want als je dood bent, dan ben je aan het slapen en word je nooit meer wakker. Maar de lucht is alleen maar ’s nachts de hemel, als het donker is. De maan is waar de hemel is. Dus daar ligt opa nu te slapen. Want als je doodgaat, word je kleiner en kleiner en kleiner. Totdat je op de maan past.’

 

Ironie

morejumpingoncouchKinderen begrijpen ironie niet. Tenminste, dat vertelt mijn vriendin de psycholoog me steeds. Ik geloof het meteen. Ze heeft er voor geleerd.

Maar toch. Kinderen zijn niet gek. Als je ze vertelt dat ze zich keurig aan het gedragen zijn op een moment dat ze iets doen waarvan ze donders goed weten dat het onwenselijk is, beseffen ze echt wel dat er hier iets niet helemaal klopt. Hun gedrag en mijn reactie erop passen niet bij elkaar. Ofwel zij zijn altijd verkeer ingelicht en het is prima acceptabel om op de bank op en neer te springen of papa zegt hier iets wat hij niet helemaal letterlijk bedoelt.

En dat doe ik. Best wel vaak. Ik kan er niets aan doen. Sarcasme is een soort tweede natuur geworden nadat ik meer dan een decennium lang teleurstellende studenten tegenover me heb gehad. En ik geloof echt dat mijn kinderen ironie herkennen voor wat het is. Misschien hebben ze het wel moeilijker met de retorische vragen van mijn vriendin dan met mijn sarcasme. Dit werd prachtig geïllustreerd in de volgende gedachtenwisseling tussen moeder en zoon toen voornoemde zoon op de koffietafel aan het tekenen was met zijn viltstiften.

“Thomas! Dacht je dat het een goed idee was om op te tafel te tekenen?” Thomas, licht verbaasd: “Nee. Eigenlijk zat ik aan iets heel anders te denken.”

Een beetje hulp

wp-1465648557207.jpgEen kleuter is een kleuter is een kleuter. En een peuter ook. Soms is het bijna onmogelijk je te realiseren dat ze het niet expres doen. Dat ze er niet op uit zijn je het leven moeilijker te maken. Ze zijn niet expres langzaam, ze proberen je niet bewust op de zenuwen te werken. Ze begrijpen wel dat jij haast hebt, maar ze weten niet wat ze daar mee moeten doen.

Alles wat vijf minuten duurde duurt nu minstens een kwartier. En dat is dan als er niemand in de tussentijd in zijn broek gepoept heeft. Mijn dochter van vier zegt wel eens dat ik een superheld ben en soms ben ik geneigd het te geloven. Ik moet wel bovenmenselijk veel controle over mijn geduld hebben.

Het huis uit komen is tegenwoordig een hele prestatie. Voordat ik kinderen had en besloot een wandelingetje te maken, pakte ik mijn sleutels en jas en weg was ik. Nu moet eerst iedereen plassen of een schone luier aan, moet ik pakjes sap en snacks inpakken, iedereen zijn jas aantrekken en schoenen aandoen. En ik moet mijn sleutels pakken.

Ik probeer Thomas zijn schoenen aan te trekken. Hij wringt zich in allerlei bochten. ‘Ik heb een beetje hulp nodig hier, Thomas,’ roep ik uit. Thomas haalt zijn schouders op, ‘ik heb niemand bij me.’

 

De andere werkelijkheid

wp-1464505791850.pngKinderen zien de dingen anders. Probeer maar eens: ga plat op je buik liggen en kijk om je heen. Als je niet een prachtige speeltuin ziet in je eigen woonkamer, weet ik het ook niet meer. Een kleine verandering van perspectief en alles verandert. Het is een goede oefening en eentje die ik niet vaak genoeg doe.

Het is een begrijpelijke maar gevaarlijke valkuil aan te nemen dat kinderen in dezelfde wereld als jij leven. Ze zien dezelfde dingen en ze interpreteren ze ook, net als wij, alleen het resulterende plaatje kan behoorlijk afwijken. En dan neem ik nog niet eens hun levendige fantasie in beschouwing.

Soms zegt een kind iets tegen je en kun je niet meteen plaatsen wat het bedoelt totdat het je lukt jezelf in de schoenen van het kind te verplaatsen en plotseling klikt het.

Thomas heeft lang gedacht dat alles op televisie niet echt was. Hij maakte geen onderscheid tussen animatie, acteurs of live-beelden. Het was een openbaring dat echte mensen op televisie konden komen. En omgekeerd. Het idee dat Freek, zijn favoriete TV persoonlijkheid, een echt mens was, kwam als een fantastische realisatie. ‘Laten we hem bellen en uitnodigen.’ Want voor hem is iedereen die hij ontmoet een onmiddellijke vriend.

Dat op zich is al een kostbare onschuldigheid die ik met pijn in mijn hart vernietig. Want hoe leg je aan een zesjarige uit dat hij niet voor iedereen de voordeur moet opendoen en dat hij niet moet praten, of meegaan, met zomaar iedere vreemdeling zonder dat je een zekere argwaan of angst teweegbrengt? Maar dat is een andere gedachte voor een andere keer.

Onlangs kreeg ik een kleine glimp in zijn actieve geest die de wereld probeerde te bevatten toen ik hem zag rondstruinen met een oud kompas dat hij in een rommel la had opgedoken. Hij zal een soort idee hebben gehad waar het voor dient.

‘Kijk pap,’  zei hij, ‘er staat O, dus we zijn in het oosten.’ Hij deed een paar stappen. ‘Nu zijn we in het zuiden!’ Hij draaide zich om en keek nog eens op het kompas. ‘ Oh, nu staat er weer Oost. Ik denk dat het stuk is.’

‘Look dad,’ he said, ‘it says E, so we’re in the East.’ He took a couple of steps. ‘Now we’re in the South!’ He turned around and glanced at it again. ‘Oh, now it says East again. I think it’s broken.’

New Shoes

wp-1464501402089.jpg

I bought new shoes. ‘They are beautiful, dad,’ says Thomas, ‘where did you buy them? At the hairdresser’s?’ ‘Eh, no,’ I reply, ‘at the shoe store.’ Thomas: ‘Oh, that’s boring.’

New shoes are always an item. With four growing children we are faced with an endless back and forth to the shoe store. It’s a strange thing, but just like the grass and shrubs in the yard, our kids’ feet grow faster in the summer. The new shoes we bought in May don’t fit Thomas anymore in June.
So off we go. To the shoe store. Thomas chooses a pair of sneakers that luckily aren’t too far outside of our budget. He hasn’t worn out his last pair because they had only fit him for a month so they can be saved for Aidan, softening the financial blow somewhat.

Thomas is completely over the moon with his shoes and everybody we encounter that day, from the neighbour to the mailman have to admire them before we can move on again.

‘Look how fast I can run in them!’ Thomas yells happily.
‘Yes,’ I agree, ‘you’re a regular Speedy Gonzalez.’
‘No,’ says Thomas.
‘Oh? Roadrunner then?’
‘No,’ says Thomas, ‘I’m Thomas who’s running.’

Photo Albums

wp-1464507583607.jpg

It’s a new favourite of our oldest son: watching photo albums instead of a bedtime story. Typically we will curl up on the bed and leaf through picture albums from before he was born. It’s great because it brings back all kinds of memories to us too.

The other day my wife asked me: ‘Do you remember that tiny church in Epernay we went to, where Champagne was supposedly invented?’ and I know she has been flipping through our camping trip near Rheims with Thomas.  But we also get to revive past-away relatives and see old friendships rekindle.

Thomas got all excited when we went through his own first album. There his mom was in August, looking out at a starry sky over Yosemite with just the smallest hint of a belly and there she was in the December snow, clearly pregnant by then. And then we get to the day of his difficult birth. ‘See, there’s  the doctor prepping to go get you out because you were turned upside down inside mommy, and there’s the nurse with all the monitors.’

We quietly leaf through some explicit pictures and photos tense with raw emotion until we see a picture of a tiny boy staring out at us from inside an incubator.

‘Look,’ Thomas says happily, ‘there I am in the washing machine!’

Chores

I do not know at what age you should set your children chores to do, but I believe it is a healthy attitude to instill in your children that they should be aware of what is going on around them and that they can help. They participate in a household system and I believe it is good that they realise that they are part of it rather than that everything is done for them.

I ask them to put away their toys after playing and to put things back into the box. Admittedly, sometimes this can become a bit of a drill, but I believe that it is an important attitude: you pull it out, you put it back.

However, my children love to help. So it is never much of a struggle. For example, it is an absolute hobby of my two-year old daughter to empty the washing machine and then to stuff everything into the tumble dryer, regardless of whether it should. So silk blouses go in there and button down shirts and delicate knitted sweaters. Sometimes she even adds things that I might never have thought of: shoes, flasks of detergent, rocks and one time even a squeaky rubber Miffy toy.

They all love to pick weeds in the garden, even though they may not be able toil_570xN.523648824_34y8 distinguish a nettle from a daffodil. Hauling the watering can up and down the yard is a particular favourite of the boys too.

But now subordination has crept into the ranks. After lunch the other day, I asked Thomas to sweep up the crumbs from the floor around the dining table. He dragged in the dustpan reluctantly, muttering ‘I have to do everything around here. I’m like bloody Cinderella!’

 

Swimming Pool

I have four children. The oldest is a six-year-old boy, then come twins who are four and finally there is Fae, our youngest, of almost two.

Every now and then I try to have some one-on-one time with one of them. I think it is precious time that gives me insight into their personality. It is easy to overlook their unique characteristics when they are coming at you from four directions at battle volume.

This Sunday I took Thomas, our oldest, to the swimming pool. To the great regret of his smaller brother who would dearly have loved to go swimming too. ‘Not swimming_pool_large_clock-r14580444e2f34906916ba0e04a50bffe_fup13_8byvr_324to worry,’  said Thomas, ‘you can go swimming with dad next week!’ I quickly intervened: ‘Thomas, you can’t promise him that. I may have other plans or we may not be able to go.’ Oh, never mind,’ says Thomas, ‘he has no sense of time anyway. He doesn’t know what next week is.’

Jesus

My kids go to a small Protestant-Christian school. Not because of our conviction, but because it is the closest school to our home, basically. I don’t think the school is very religious either, apart from what it ought to provide to carry its denomination. The kids say thanks for their lunch and hear stories from the bible now and then. It’s an excellent school.

But now Thomas, my son of six can’t accept that I, myself, don’t believe in God. See, I always urge him to pay attention in school and heed his teacher. His teacher has told him God exists and Jesus was his son. I patiently explain to him that many people believe that and that I think they are wrong.

This doesn’t go over very well. Because, yophotou know, this is not what the teacher said. Luckily the situation was readily defused by my four-year-old daughter who was thinking out loud: ‘Jesus can cure people and he isn’t even an ambulance.’

‘No,’ says Thomas, ‘he has superpowers!’