Op een (mooie) Pinksterdag

Wind en regen. Dat was alles dat het weerbericht in petto had voor het Pinksterweekend. En hagel en onweer. Je zou er moedeloos van worden. Het is bijna juni maar het weer is in oktoberstand. Zijn we eindelijk die Corona lockdown aan het uitkomen, zou je voor je verdriet nog niet op een terrasje gaan zitten.

Maar goed, wij waren niet van plan ons te laten knechten door het weerbericht. We bevinden ons in de gelukkige omstandigheid dat we met een kwartiertje rijden bij het strand kunnen zijn dus wij besloten even uit te gaan waaien in Noordwijk. Weer of geen weer.

En daar hebben ze dan niet per se zin in, kinderen.

‘Naar het strand? Met dit weer?’ vroeg de zoon van elf met opgetrokken neus.

‘Ja.’

“Maar het regent.’

‘Ja.’

‘En het waait.’

‘Correct.’

‘Mag ik thuisblijven?’

‘Nee.’

‘Mag ik mijn telefoon meenemen?’

‘Nee.’

‘Pff.’

‘Plassen, handen wassen, laarzen aan en gaan, jongens!’

Dochter van negen: ‘Mijn laarzen zitten niet lekker. Mag ik ook mijn troepschoenen aan?’

‘Zelf weten.’

Dochter van zes: ‘Mag ik mijn skeelers mee?’

‘Skeeleren op het strand? Dat kan niet.’

‘Waarom niet?’

‘Dan zak je weg en kom je niet vooruit.’

‘Nee hoor. Ik kan het heel goed. Mag ik het proberen?’

‘Nee. En nu allemaal de auto in. We gaan nu weg.’

‘Ik moet nog plassen.’

Eenmaal op het strand vinden ze het allemaal prima. Dat de wind koud is en dat het onafgebroken miezert deert niet. Niemand heeft een telefoon of skeelers of een voetbal nodig. Er liggen kwallen, scheermesjes, krabbenskeletjes, en gele bolletjes die door de wind in het rond worden geblazen. Wulk-eitjes leren we later. 

En overal liggen ook halve cirkels kippenvel zoals de zoon van negen het noemt. Vervelde paardenhoeven denkt zijn zus. Het zullen de eitjes van weer een andere slak blijken te zijn: de tepelhoorn. Een roofslakje dat verantwoordelijk is voor het gaatje dat je soms ziet in schelpen. Handig, vindt de dochter van zes, als je een schelpenketting maakt hoef je dan zelf het gaatje niet meer te boren.

Ze vermaken zich opperbest en leren onderwijl nog wat bij. Ongemerkt is het zonnetje doorgebroken en zo kan het dat we even later, uitdampend op de boulevard, onder het inspecterend oog van het standbeeld van koningin Wilhelmina zowaar een ijsje zitten te eten. Prima Pinksterdag.

Voetbalwedstrijd

Het regent en het waait hard. De zoon van elf heeft een voetbalwedstrijd. Hij heeft zijn tenue al aan. Hij is alleen weer zijn thermokleding ‘vergeten’.

‘Moet ik echt thermo aan?’ moppert hij.

De club heeft als regel dat onder de tien graden thermokleding verplicht is. Aangezien het zo hard waait, vind ik dat hij het aan moet trekken.

‘Hé Google!,’ roept hij, ‘wat is de temperatuur vandaag?’

‘Het is elf graden met buien in Leiden,’ antwoordt Google. Triomfantelijk kijkt hij me aan. Boven de tien, geen thermo.

‘Denk na, jongen. Het waait loeihard. De gevoelstemperatuur is veel lager.’

‘Als ik nou lange sokken aan doe en mijn trainingsjack?’ onderhandelt hij.

Ik zucht. ‘Dan moet je het zelf maar weten. Maar niet gaan piepen als je het koud krijgt.’

Overbodige opmerking. Dat heeft hij nog nooit gedaan. Niet omdat hij het niet koud zou hebben, maar toegeven? Nooit.

Hij heeft er weinig vertrouwen in, deze wedstrijd. De afgelopen vijf wedstrijden hebben ze met dubbele cijfers verloren. Hij kan ook prima vertellen wie er allemaal wat fout gedaan heeft in de voorgaande wedstrijden, behalve hijzelf. Doorgaans zijn de scheidsrechter en de coach de grootste boosdoeners.

Ik geef hem een peptalk: ‘Het gaat niet alleen om de uitslag. Het gaat ook, nee – vooral- om plezier hebben met elkaar. Als dat lukt, win je altijd! Zorg jij nou gewoon dat je aandacht hebt voor iedereen in het veld en probeer vooral positieve dingen te roepen. Niet te veel gaan observeren, maar deelnemen aan het spel. Let op je positie en luister goed naar de trainer!’

‘Oké’, zegt hij, ‘maar ik ga eerst even mijn voetbalschoenen aantrekken. Dat lijkt me wel handig.’

Spreekbeurt

Het begon al op de kleuterschool met de dit-ben-ik-doos waar de kleuter tien dingen in mocht stoppen en erover vertellen aan de klas. Daarna kwamen de vertelbeurten, boekenbeurten en spreekbeurten. Tussen onze vier kinderen is er altijd wel eentje die een beurt op de agenda heeft staan.

De dochter van negen houdt morgen haar spreekbeurt. Over spinnen. Ik herinner me nog uit mijn jeugd dat we dan naar de bibliotheek gingen en dat er een speciale bak was met dunne boekjes over ‘spreekbeurt-onderwerpen.’ Iedereen gebruikte dezelfde boekjes, dus de meesters (die had je toen nog) of de juffen uit de jaren tachtig moeten na jarenlang spreekbeurten aanhoren die boekjes zo ongeveer ook uit hun hoofd hebben gekend.

Nu is de bibliotheek door de lockdown al maanden gesloten, dus daar kunnen onze kinderen sowieso niet terecht, maar zelfs toen de bieb nog open was bezochten ze hem niet voor hun spreekbeurt. Dat doen ze allemaal online. Die hele spreekbeurt wordt bij elkaar gegoogled. 

Maar het gaat niet eens om de informatie. Die is van ondergeschikt belang. Veel belangrijker zijn de plaatjes. Want een basisschool spreekbeurt anno 2021 is een powerpoint presentatie. Dus zijn er plaatjes van koddige harlekijnspinnen, imposante goliathtarantula’s, en zelfs een gelikt gifje van een valdeurspin.

Maar het gaat uiteindelijk ook niet eens over de plaatjes. Het onderdeel van de spreekbeurt waar echt de aandacht naar uitgaat en waar uiteindelijk de meeste tijd en moeite aan besteed wordt, zijn de overgangen. Het leukste aan de hele spreekbeurt zijn de korte animaties tussen de verschillende slides van de powerpoint. 

Die overgang mag tussen geen twee slides hetzelfde zijn en mijn kinderen zijn van het credo ‘hoe gekker hoe beter’. De verkreukelde slide, het gevouwen vliegtuigje, gordijntjes, het is een visuele kakofonie aan effecten die gigantisch afleidt van het verhaal en je weet dat al die klasgenootjes alleen maar oog gaan hebben voor die animaties.

Maar misschien is dat wel een goed ding, bedenk ik me tegelijk. Het haalt de druk eraf voor de presentator. Die kan daardoor wat meer ontspannen en rustig haar verhaal vertellen. 

Maar er staat ook, en dat doet een vaderhart goed, een glazen potje klaar om morgenochtend een spin in te vangen en mee te brengen. Want een spreekbeurt over spinnen is natuurlijk niet compleet, zonder een levend exemplaar. Sommige dingen veranderen niet.

Rietzanger

Soms als ik ga hardlopen, gaat de dochter van zes mee op de fiets. Gezellig, maar ook lastig want zij praat dan honderd uit en ik heb niet altijd genoeg adem om een gesprek te voeren.

Daar kunnen we twee dingen uit concluderen. Eén: ik loop te hard, want tijdens een hardlooptraining hoor je zonder buiten adem te raken een gesprek te kunnen voeren. Tenzij het een intervaltraining is natuurlijk, maar dat terzijde. En twee: ik heb geen goede conditie. Maar daarom loop ik ook hard.

Enfin, de dochter valt altijd van alles op. Windmolens die verschillende kanten opdraaien, hazen die over sloten springen, de uiengeur van de Daslook. Onlangs zag ze nog een zwartpunthaai in de dwarswatering. Nu waren het vogeltjes.

‘Papa, wat is dat voor vogel die zo gezellig in het riet zit te zingen?’

‘Een rietzanger.’

‘Oh. Goeie naam.’

‘Papa, dierenslinger? Ik begin. Rietzanger.’

Dierenslinger is briljant als je hardloopt zonder conditie. Je hebt recht op bedenktijd en je hoeft maar één woord te roepen.

‘Reiger.’

‘Raaf.’

‘Fazant.’

‘Het lijkt wel een vogelslinger! Fuut kon ook. Tureluur.’

‘Race eend.’

‘Nee, die telt niet.’

‘Oké, hij telt. Duif. Fuut mag niet meer.’

Nog twee kilometer te gaan. Een vogel met een F. Even denken.

Supermario

‘Mogen we op de Nintendo Nes?’ is een vraag die je als ouder niet direct verwacht anno 2021. Vooral aangezien het een vraag is die je zelf stelde in 1988. 

Deze kinderen hebben de beschikking over een Nintendo Switch, smartphones, een tablet, een playstation en een chromebook. Ze kunnen Fortnite spelen, Brawlstars, Fifa 2020, of Fruitninja, maar ze vragen om de Nintendo Nes. En wat spelen ze?

SuperMario Bros. Wat anders?

‘Jullie weten dat dit spel op de Switch exact hetzelfde is, hè?’ vraag ik ze.

Geen reactie.

‘Waarom willen jullie dit op de Nes doen?’ 

‘Ssssssh! Dit is leuker.’

Dit is leuker. Hoekige controllers met oncomfortabele knopjes. Een spelcartridge zo groot als een boek. Graphics zo basaal dat je de pixels kunt tellen. Het geluid afschuwelijk.

‘Waarom dan?’ dring ik aan.

‘Ssssssssh!’

Ze zijn weg. In een andere wereld. Ze communiceren zonder elkaar aan te kijken. Als de één springt, beweegt de ander onwillekeurig een beetje mee. Ze spelen niet met Mario en Luigi. Ze zijn Mario en Luigi.

Deels is het de fascinatie met de technologie van vroeger. Als kind keek ik ook liever naar video’s van de ratelende projector van mijn opa dan naar homevideo’s gemaakt met een jaren 90 VHS camera. Maar dat is niet alles. 

De Nintendo switch pak je om even een spelletje te doen. Het is verstrooiing. De Nintendo NES moet tevoorschijn gehaald worden. Er moeten kabels aangelegd worden om hem te laten werken. Instellingen in televisies moeten veranderd worden. De spellen hoeven nog net niet met een cassettebandje ingelezen te worden, maar het spelen van een spel is wel een projectje. En dat maakt het al leuk.

Maar het is ook het spel. Het oorspronkelijke spel. The one that started them all. Alle nieuwe Mario spellen zijn interpretaties of iteraties van het origineel. Het is de geboortegrond. En ze kennen de ins en outs. Ze kennen de easter eggs, de verborgen levels en de onzichtbare steentjes. Ze weten alle glitches die nog bestaan in dit spel, maar door ijverige programmeurs later zijn weggepoetst. Ze zoeken ze allemaal op. 

Ik heb ze zelf uitgelegd dat ze door de juiste timing en met behulp van een koopa troopa óver de vlaggenmast van level 1.1 heen kunnen springen. Er zijn geen woorden voor de street cred die dit ze oplevert op het schoolplein.

Het is genieten. De console waar ik 35 jaar geleden op speelde, is nog steeds relevant. Een classic

‘Weten jullie wat de Nintendo Nes kostte toen ik hem kocht?’

Geen reactie.

‘300 gulden. Gulden.’

‘Ssssssssssh.’

Moppenboek

‘Papa, er zitten twee koeien in bad. Zegt die ene koe tegen de andere: ‘Ik krijg die vlek er niet af!”

De dochter van zes heeft een moppenboek geleend van de bibliotheek. Aangezien de culturele sector op korte termijn nog geen versoepelingen in het coronabeleid tegemoet kan zien, zijn de bibliotheken nog steeds gesloten. Wél kunnen we een boekenpakket aanvragen en dat dan een paar dagen later ophalen bij de voordeur van de bieb. Het is een prachtig systeem. Je kunt een email sturen met je naam en pasnummer en aangeven van wat voor genre je houdt. Dan wordt er enkele dagen later een papieren tasje vol boeken voor je klaargezet: een verrassingspakketje. Onze kinderen lezen nogal veel, dus we staan daar regelmatig.

De oudste zoon heeft aangegeven van voetbal en fantasy te houden. Die krijgt dus Snelle Jelle en Harry Potter-achtige boeken. De dochter van negen vroeg om érg spannende boeken. Helaas heeft de bibliothecaris een andere definitie van spannend dan zij en komt hij met de ene na de andere Dolfje Weerwolfje. Vond ze leuk, twee jaar geleden. Hij kan er maar niet mee omgaan dat ze boven haar niveau leest. Zo krijgt ze standaard B boeken, ongeacht wat wij in de emails zetten. Thuis leest ze boeken van A.F.Th. van der Heijden, maar dat terzijde. Daar vinden we ook weer wat van.

Maar goed. De dochter van zes, gevraagd naar het genre dat zij het liefst heeft, gaf aan: grappige boeken. Dus kreeg ze een moppenboek. U krijgt langzaamaan wel een beeld van onze bibliothecaris. Een moppenboek, maar dan één voor zesjarigen. En dat vindt ze briljant. Alle moppen die wij allang kennen staan er in, maar voor haar zijn ze nieuw.

Konijntje komt bij de bakker, lekker windje, hè?, Jantje in de supermarkt. En zij maar voorlezen en maar lachen. Soms verbaast het haar wel dat wij niet even enthousiast zijn over de moppen als zij. Maar het is ook niet leuk om steeds te zeggen: ‘die kennen we al.’ Dus lachen we maar beleefd.

En, toegegeven, soms staat er ook gewoon een hele leuke tussen die je nog niet kende. En dan lach je echt. En de dochter van zes hoort het verschil. Dus dat is de mop die ze onthoudt en iedere dag opnieuw vertelt. Tien keer.

Wat voor hond heeft een goochelaar?

Een labracadabrador.

Zwartpunthaai

Als de zoon van negen bij de judotraining is, wandel ik altijd een rondje om de dwarswatering. Dochter van zes stept dan steeds 100 meter voor me uit. Als ik haar weer inhaal, heeft ze bloemetjes geplukt, of een zwerfsteen gevonden of gezwaaid naar de roeiers van Njord. Maar er is nooit niets.

Als ik haar weer inhaal, staat ze op een steiger met haar ogen gefixeerd op de rietkraag.

‘Er kwam een puntje uit het water papa.’

‘Oh, was het een fuut denk je? Of een vis die boven water kwam?’

‘Het was een zwart puntje,’ zegt ze zonder haar ogen af te wenden van het water. ‘Dus ik denk dat het een zwartpunthaai was.’

‘In de dwarswatering, ja? Denk je?’

Ik kijk mee naar het donkere water. De roeiers van Njord komen weer langs. Nu vanaf de andere kant. We zwaaien niet, maar turen in het riet.

‘Misschien was het wel een duikboot,’ mijmert ze. ‘Of een walvisjager.’

‘Misschien,’ beaam ik.