Ik voel me ðŸ¤’

Sinds de oudste zoon op zolder slaapt en hij een telefoon heeft, wordt een groot deel van de communicatie via whatsapp gevoerd. ’s Ochtends hebben we een strak afgetimmerde routine. Dat is ook wel nodig met vier kinderen die allemaal tegelijk de badkamer in willen, willen ontbijten en tassen, gymtassen moeten inpakken, een vaatwasser die leeggeruimd en konijnen die gevoerd moeten worden.

Als er iets anders gaat in het ritme, raakt de hele operatie ontregeld. Vanochtend was bijvoorbeeld de oudste zoon om half acht nog niet in beeld. Dat is vreemd. Niemand had hem ook gezien in de badkamer. Ik had naar zolder kunnen lopen om verhaal te halen, maar zoals gezegd: een groot deel van de communicatie wordt via whatsapp gevoerd. Dus ik checkte eerst mijn telefoon en inderdaad, bericht:

Ik voel me 🤒

Met een toegevoegde foto:

Vroeger moest je dan even naar school bellen en aan de conciërge doorgeven dat er een kind absent was die dag. Dat gaat niet meer zo. Tegenwoordig heeft ook de school zijn eigen app waarin je de afwezigheid van een kind kan doorgeven. Allemaal volledig geautomatiseerd. De juf krijgt een pop-up op haar computer en in de digitale schoolagenda wordt automatisch de gemiste stof aangegeven en het eventuele werk dat de leerling thuis kan doen. Brave new world.

Als om half negen alle tassen gepakt, tanden gepoetst en haren gekamd en alle gezonde kinderen naar school zijn, beklim ik alle trappen naar de zolderverdieping om een kopje thee bij de oudste zoon te brengen. Hij slaapt alweer. Het kopje thee laat ik naast zijn bed staan.

Om half twaalf gaat heel stilletjes de deur van de werkkamer open.

‘Zit je in een meeting?’ fluistert hij door een kiertje. Zijn neus klinkt verstopt. Ik zit niet in een meeting dus hij wandelt binnen.

‘Bedankt voor het kopje thee. Het was wel al koud.’

Hij voelt zich iets beter, maar het is duidelijk dat het nog niet veel is. Slapen lukt echter niet meer. Misschien kan hij iets op TV kijken? Op de bank, met een dekentje? Ik vind het een goed idee. Vond ik vroeger zelf ook heerlijk toen ik ziek was. Probeer eerst wat te eten en even te stomen.

Als ik een uurtje later beneden kom, staat er een schaal water op de eettafel. Er naast een kopje koude thee. Op de televisie imiteert Jochem Myjer heel luidruchtig een radio DJ. Radio Annabel uit het programma ‘ Adem in, adem uit.’

Op de bank ligt de oudste zoon in diepe slaap. Zijn telefoon pingelt en het scherm licht op. Een whatsapp berichtje.

Het Bieschbosch

Op vaderdag wilden we er op uit. Dus wij gingen een dagje naar de Biesbosch. Nu we niet meer over een lockdown hoeven te spreken, mag er eigenlijk steeds meer. Maar ik voelde er toch niet zo veel voor om meteen weer naar een overbelast pretpark te gaan of een tijdslot te reserveren in Avifauna. De Biesbosch is sowieso al een corona-proof uitje. Flink ruimte, helemaal buiten. Anderhalve meter afstand is uitstekend te bewaren. En wij, geloof het of niet, waren er dus nog nooit geweest.

Van het bezoekerscentrum loop je zo het beverbos in waar je vanachter een glazen wand in theorie de bevers in hun burcht zou kunnen zien. De praktijk is natuurlijk weerbarstiger. De teleurstelling dat de bevers niet thuis gaven, was echter snel vergeten in de kilometers speelbos en uitgestrekte natuur waar naar hartelust vogels gespot, door het gras gerold en hutten gebouwd kan worden.

Een ontmoeting met een echte herder (inclusief hoed) en zijn kudde schapen maken zo’n dag helemaal magisch. De dochter van zes is onder de indruk van een piepklein lammetje dat nog rillend op zijn x-pootjes staat.

‘Kijk nou! Die is pas net uit het nest!’

Ook avontuurlijk is het moerasgebied langs de grienden. Joekels van libellen scheren langs, in het water spotten de jongens salamanders. Ook zien we helaas veel molletjes die het noodweer van de afgelopen twee dagen niet overleefd hebben. En we stuiten op een omgeknaagde wilg. De bever zelf is ons ontgaan, maar de omgeknaagde boom is het bewijs van zijn aanwezigheid.

Dat we nog een keertje teruggaan is evident. De jongste zoon is het er hartgrondig mee eens op de terugweg.

‘Ik vond het een geslaagd tripje. Goed uitgekozen, papa.’

Dat vindt de dochter van zes ook, maar

‘hoe heette dit ook alweer? Het Bieschbos ofzo?’

‘De Biesbosch’

‘O ja, het Biesch-bosch.’

Voetbal

Met alle versoepelingen die je om de oren suizen, kunnen we het eindelijk eens over andere dingen dan over corona hebben. 

Het weer bijvoorbeeld. Wat is het weer heet, hè? 

Maar vooral natuurlijk, de voetbal. Misschien was het je ontgaan, maar het EK is begonnen. Euro 2020 noemen ze het. De vlaggen lagen al klaar namelijk. En wat begonnen we lekker, jongens. Honderdduizend kansen in de eerste helft, na rust bimbam, twee nul, toch nog twee goals tegen krijgen, maar uiteindelijk als winnaar het veld af. En dat in de op papier zwaarste wedstrijd. Droomstart. Alles wat nog niet meteen oranje was, heeft inmiddels ook kleur bekend. Met allitererende spelersnamen als Wout Weghorst en Denzel Dumfries kun je trouwens sowieso al van een jongensboek spreken.

De zoon van elf traint al een jaar in een Virgil-shirtje. Het verdriet was groot toen duidelijk werd dat de grote roerganger er toch echt niet bij zou zijn. Gelukkig hebben we inmiddels veel inspirerende spelers die voldoende tot de verbeelding spreken. De dochter van zes kan ze allemaal opnoemen: Wijnaldum, Frenkie, Memvis. Nou ja, Patrick van Aanholt was nog onbekend, maar die staat ook op het affiche inmiddels.

Voetbal kijken op TV is wel nieuw voor haar. Ze heeft dan ook niet veel gemerkt van de lege stadions de afgelopen maanden. Wel is ze onder de indruk van het aanwezige publiek op het EK. Het lijkt carnaval wel.

‘Waarom hangt daar een spandoek met ‘Zutphen’?’ vraag ze zich af.

Zoon van elf: ‘Omdat die mensen uit Zutphen komen en dat graag willen laten zien.’

‘Waarom doen die andere mensen dat dan allemaal niet?’

‘Die komen niet uit Zutphen.’

Het huis is de afgelopen weken langzaam oranje gekleurd. Het ontbreekt nog aan een juichcape, maar verder slingeren er overal hoedjes, sjaals, en shirtjes en klinken de oranjehits, oud en nieuw, regelmatig uit de speakers. Het televisiekastje wordt voor de wedstrijd omgebouwd tot een klein oranje-altaar. Want voor een wedstrijd van het Nederlands elftal mag je opblijven.

Onze kinderen zijn daarin niet uniek. Van de juffen krijgen we bericht dat de weektaken deze komende weken aangepast worden op het speelschema. Daags na een Oranje-wedstrijd worden er geen cito-toetsen afgenomen. De kinderen zitten dan door oranjekoorts en slaapgebrek half suf in de klas.

We proberen ze wat eerder naar bed te krijgen op de andere avonden. Niet dat dat lukt want het zijn de langste dagen van het jaar en met deze temperaturen is het zelfs met alle ramen open veel te warm in kinderbedden.

‘Pap, hoeveel nachtjes slapen voordat het Nederlands elftal weer speelt?’

‘Nog drie.’

‘Nog drie?! Zolang kan ik echt niet wachten. Ik ga er alvast van dromen.’

‘Goed zo. Droom je dan wel dat ze winnen?’

‘Duh.’

Mölkky

Vroeger, toen ik nog kind was speelden we op vakantie jeu de boules. Als er jeu de boules werd gespeeld, dan wist je dat je op vakantie was. Met van die plastic ballen in vier kleuren, gevuld met zand. Meestal zat er één zo’n klein wit balletje bij, de but. Als je echt geluk had, twee. Iedere vakantie raakten we dat balletje kwijt. Dus dan improviseerde je maar wat, met een aansteker of zo. Die had iedere volwassene toen nog.

Toen we met vrienden op vakantie gingen in onze tiener- en twintiger jaren was dat natuurlijk not done. Dan ga je niet jeu de boulen met elkaar. Waar we niet vies van waren was een potje Guerre de boules. Dat was feitelijk niet anders dan jeu de boules met verplichte overtredingen. Er waren namelijk wel regels in Guerre de boules. Maar die gingen allemaal tegen het algemeen aanvaarde idee van regels in. Verplicht bovenhands gooien, pootje lichten toegestaan, alleen maar Duits praten tijdens het spel. Dat soort dingen.

Omdat niemand wist dat de but, dat witte balletje, de but heette, noemden we het de schnappi. Geen idee meer waarom, maar het had vast wat met dat krokodilletje te maken. Je mocht de schnappi ook niet zomaar (onderhands of bovenhands) in het spel brengen. Dat diende te gebeuren met de Schnappi-schnauzer, een werpstok die nog het meest doet denken aan het soort stok waar je hondeneigenaren nog wel eens mee ziet. Die schnappi moest ook vaak vervangen worden. Met een aansteker of zo, die hadden we allemaal in die tijd.

Guerre de boules, het leverde nog wel eens wat hilariteit op op campings als twee Nederlandse adolescenten tegelijk met gestrekt been een tackle op een jeu de boules bal inzetten.

Inmiddels durven we weer onironisch te jeu de boulen. De kinderen vinden het ook leuk. Vaker spelen we echter Mölkky, of zoals wij het noemen: stokken gooien. Het is een variant op het Fins kegelspel. Je probeert om beurten twaalf houten kegels om te gooien, waarbij je terugtelt van vijftig naar nul. Iedere worp tel je het aantal omvergeworpen kegels, óf, als er slechts één kegel omgegooid is, het aantal op die kegel vermelde punten. Als je door de nul heen schiet, moet je terug naar vijfentwintig. Als je niets raakt, krijg je een kruisje. Bij drie kruisjes lig je eruit.

Gezellig coöperatief. Wij winnen óf de stokken winnen. Je speelt dus niet tegen elkaar, maar mét elkaar. En, wat het helemaal gaaf maakt, we hoeven er niet eens voor op vakantie! Hier aan het eind van de straat ligt een jeu de boules baantje. Dus iedere keer als het weer het een beetje toelaat, zoals afgelopen week, gaan wij stokken gooien. En dan waan ik me in ieder geval weer eventjes in Frankrijk. De gedachte aan guerre de Mölkky dringt zich op, een spel dat qua materiaal al minder ondubbelzinnig is dan Guerre de boules. Beter om daar nog maar even niet aan te denken.

‘Hoeveel moeten we nog?’ vraagt de dochter van negen. Tweelingbroer zoekt het even na in het zorgvuldig bijgehouden schriftje. ‘Elf! En je hebt al twee kruisjes!’

‘Alles of niets,’ mompelt ze, en dan luidkeels: ‘Pak aan, stokken!’

Hitte

Ik had net mijn vaccinatie gehaald, Janssen – Leidse prik, dat past me wel. Met één keer prikken klaar, houd ik ook van. Ik parkeerde de auto onder de linden om de hoek van de straat. Niet slim, want door de luizen in die linde krijgen we plak op de lak. Maar dat terzijde.

Ik was een beetje gewend geraakt aan de airco in de auto, want buiten liep ik tegen een tropische muur aan. Het zweet brak me uit. Dat kon ook een bijwerking van het vaccin zijn, maar het was ontegenzeglijk warm.

De buurman was net bezig zijn heg te snoeien in de volle zon.

‘Heet, hè?’ zei ik.

‘Ja, beetje te heet,’ zei de buurman en schoot er zelf van in de lach. ‘Het is ook nooit goed.’

Eenmaal thuis liep ik meteen door naar de werkkamer op zolder. De werkkamer op zolder op het Zuiden. Heet. Niet te doen. Dan maar met de laptop de tuin in. Soms is het een uitkomst, dat thuiswerken.

Alleen kon ik niets zien op het scherm. Nou ja, wel met de helderheid op de hoogste stand, maar toen was de batterij met twintig minuten leeg. Dus een verlengsnoer uitgerold. Dat betekende wel oppassen voor de konijnen. Die willen nog wel eens aan een kabeltje knagen. Vinden ze leuk.

Maar de konijnen waren vandaag niet zo’n probleem. Die hadden na de afgelopen maanden hun wintervachtje nog aan en lagen uitgeteld en volledig uitgestrekt in de schaduw. Maar ze klaagden niet, buurman.

Ik ook niet. Ik zat lekker in mijn tuin te computeren, begeleid door het gezoem van de bijtjes in de frambozenbloesem en het vrolijke vogelgekwetter van de koolmeesjes. De koolmeesjes die in ongeveer alle tuintjes om ons heen een vogelkastje hadden betrokken, behalve dat van ons. Wat ze wel bij ons kwamen halen was nestmateriaal. We hebben namelijk van die leuke kokosmatjes als plantenbakjes aan de schuur hangen en daar kan een koolmees prachtig nestjes van bouwen. Nadeel is dat je plantenbakje er wat verkrekt uitziet.

Ze waren trouwens wel druk in de weer, die koolmezen. Om de haverklap dook er een de frambozenstruik in en weer weg. Terwijl we toch niet zoveel spinnen in de tuin hebben. Even poolshoogte nemen.

Rupsen. Honderden rupsen. Nou ja, bladwesp larven. Maar ze zien er uit als Rupsje Nooitgenoeg, en zo eten ze ook. Eric Carle, ook zo iemand waarvan je niet dacht dat hij nog leefde totdat hij doodging. Gek is dat soms. Honderden keren gelezen dat boek. De dochter van zes, toen twee, kon er geen genoeg van krijgen -om maar een slechte woordspeling te maken.

We hadden zelfs een DVD van Rupsje Nooitgenoeg en vier andere verhalen die Carice van Houten voorlas. Die is ooit niet terug van vakantie meegenomen. Die DVD dan, hè? Niet Carice van Houten. Die zal je niet zo snel vergeten. Het lege hoesje hebben we nog wel. Maar de DVD zit waarschijnlijk nog steeds in een DVD-speler in de Picardie. Want wie kijkt er nog DVDs? Maar ik dwaal hopeloos af.

Rupsen dus. Nee, wespenlarven. Moet ik het wel goed zeggen. Meer dan drie nestjes koolmezen op kunnen. Als we nog frambozen willen zien over een paar weken moeten we aan de slag.

‘Jongens, we gaan rupsen plukken!’

Zo stond ik dus weer in de volle zon met zes behulpzame kinderhanden de beestjes uit de framboos te halen. Ik moest wel een pet opzetten, ik kreeg hoofdpijn in die zon. Maar dat kon ook de vaccinatie zijn. We hadden al gauw een plantenpotje vol beestjes.

‘Waar moeten we ze laten, papa?’

‘In de groenbak.’

‘Zielig.’

‘Gooi er een paar handenvol frambozenblaadjes bij, dan is de groenbak een rupsenwalhalla!’ stelde de oudste voor.

De dochter van zes vond het een goed plan. ‘En dan doen we morgen de groenbak open en dan komen er allemaal vlinders uit!’

‘Nou, eigenlijk zijn het…’ begon ik, maar ik had er de energie niet eens voor, ‘…ach, laat ook maar.’