Talent

De oudste zoon heeft een talentenkaart meegekregen van de juf. Het verzoek aan de ouders van de leerlingen in groep 8 was om in een lijst van 69 eigenschappen ‘te omcirkelen welke talenten volgens u echt passen bij uw kind en er met elkaar een gesprek over te voeren. De talentenkaart gaan we volgende week in de les bespreken.’

Moeilijk! Je kunt ze niet allemaal omcirkelen, maar als je een selectie maakt, geef je daarmee impliciet aan dat alles wat je niet kiest, niet bij je kind past. Hoe maak je een kind van elf duidelijk dat als jij ‘gehoorzaam’, ‘lief’, en ‘beleefd’ omcirkelt dat niet automatisch betekent dat hij niet ook ‘sterk’, ‘standvastig’ en ‘stabiel’ kan zijn? Dat het alleen niet zijn uitgesproken talent is. 69 eigenschappen. Ik wist niet waar te beginnen. Het zegt ook iets over jezelf als ouder. Waar hecht je zelf belang aan?

Talent is ook een beetje ongrijpbaar. Soms niet, soms is het glashelder. De dochter van zeven heeft bijvoorbeeld een artistiek talent. Die tekent een schetsblok per week vol, de ene tekening nog indrukwekkender dan de andere. Vaak briljant in al hun eenvoud.

Ook fotografeert ze graag en iedere foto die ze maakt geeft haar interesse in en aandacht voor patronen aan.

Voor de oudste zoon ligt dat toch wat lastiger. Van kind af aan is duidelijk dat hij slim is. Hij maakte legpuzzels toen hij één was en leerde zichzelf lezen op zijn vierde. Maar is dat een talent, slim zijn? Dat is een moot point. Het staat niet eens op de kaart. Wijs wel, maar dat is toch iets anders. Ik twijfel en draai peinzend met mijn potlood door mijn vingers.

Realistisch staat er twee keer op, pap,’ merkt de oudste zoon op in het voorbijlopen, ‘heb je dat gezien?’

Ik zet een cirkeltje om opmerkzaam. Nog achtenzestig over. Zevenenzestig.

Officieel herfst

Mensen die mijn oeuvre kennen, weten dat ik een herfstmens ben. Ik ga niet zo goed op de hitte van de zomer en als het te koud wordt, haak ik ook af. De herfst is mijn seizoen. Al wekenlang hangt het in de lucht, de eerste geur van herfst. Vorige week vielen de eikels al. Vannacht sierde een onvervalste volle oogstmaan in een oranje spektakelkleur de hemel. Season of mist and mellow fruitfulness. Het is onmogelijk niet aan de ode aan de herfst van Keats te denken als ik ’s ochtends in de mistige polder hardloop.

Op de kalender gisteren al, maar vanavond begint ook de astronomische herfst officieel. Het is de equinox. Nacht en dag zijn exact even lang. Na vandaag worden de dagen weer korter. Dat is jammer. Het terrasseizoen zit er wel weer zo’n beetje op. Maar, we mogen wel weer ongegeneerd Dusty Springfield luisteren.

Herfst is ook het spinnenseizoen. Opeens hangen er weer overal webben in de tuin. De koolmezen eten er hun buikjes aan rond. Ik langs onlangs dat het maar drie weken duurt dat spinnenseizoen. Het voelt langer als ik iedere ochtend vergeet voor me uit te wapperen als ik de poort uit loop en een net van spinnenrag in mijn gezicht krijg.

De jongste dochter vindt het prachtig en vraagt haar zus van negen keer op keer het verhaal van Arachne te vertellen dat ze voor haar spreekbeurt uit het hoofd heeft geleerd. Het helpt, want waar haar angst voor wespen buitensporig is en ze bij het zien van een mot in blinde paniek vliegt, heeft ze voor spinnen alleen maar liefde.

Vanochtend liep ze naar buiten om de konijnen te voeren, maar werd al snel afgeleid:

‘Ach, wat een schattig hooiwagentje.’

Optreden

Afgelopen weekend moest ik optreden. Het was de nacht van de poëzie en ik zou die dag als kandidaat stadsdichter ’s middags en ’s avonds wat gedichten voorlezen op De Burcht.

De dochter van net zeven was er niet gerust op.

‘Ik wil daar niet bij zijn.’

Op zich geen issue. Een groot deel van het programma was ’s avonds en ik zou pas na tienen spreken.Als ze er wel bij had willen zijn, had het niet eens gekund. Maar toch, het verraste me dat ze zo stellig was.

Een paar dagen voor de poëzienacht kwam ze er uit het niets nog even op terug.

‘Papa, je doet wel nette kleren aan, hè?’

Ik probeerde haar gerust te stellen dat ik zeker representatief gekleed zou gaan. En bovendien, dichters mogen zich kleden zoals ze willen. Zelfs een beetje gek.

Driftig schudde ze haar hoofd. Het was duidelijk dat ze niet op prijs stelde dat er een mogelijkheid was dat ik met t-shirt en cargobroek voor publiek zou staan.

‘Heb je überhaupt wel een stropdas, papa?’