Corona

De juffen hadden corona, dus moest de tweeling van tien thuisonderwijs volgen. De zoon van elf hadden we al thuis want die voelde zich niet zo lekker. Testen dus maar met het hele gezin. Iets meer dan 48 uur later hadden we de uitslag: drie positief, drie negatief. De positief geteste gezinsleden moesten in isolatie en de negatieven moesten vijf dagen later weer testen, want die hadden immers contact gehad met een positief getest persoon.

En daar zat ik dan. Thuisonderwijs organiseren voor vier kinderen, waarvan twee in isolement op hun slaapkamer en ook nog een beetje zorgen voor de vriendin die ziek op bed lag, maar wel in isolatie moest blijven. Het ging lang goed.

Op de dag van de hertest was er echter geen twijfel mogelijk. Gevaccineerd of niet: ik was de pineut. 48 uur later hadden we de uitslag: één positief, twee negatief. En dan wordt het beleid wazig. Als je moeite hebt met de plot van een film als Inception, probeer dan niet de regels te begrijpen die de GGD voor deze situatie heeft en sla met een gerust hart de volgende alinea over.

De twee negatief geteste kinderen moeten vijf dagen later wéér getest worden. De ouder die nu positief getest is, gaat in isolatie. De ouder die eerder positief was, mag uit isolatie omdat er voor de kinderen gezorgd moet worden, edoch het gezin als geheel in quarantaine dient te blijven. De eerder positief geteste kinderen mogen, mits klachtenvrij, na de zevende dag quarantaine weer naar buiten. 

Het nieuws dat de twee jongsten nogmaals getest moesten worden, werd niet heel enthousiast, maar redelijk gelaten ontvangen. Onderhuids speelde er echter meer en het was duidelijk dat de dochter van zeven in haar hoofd nog flink met het testen bezig was toen er later op de dag voorzichtig op de deur van mijn isolatiekamer geklopt werd.

‘Papa, ik heb een klein vraagje over testen. Als een baby ziek is, moet die dan ook testen?’

‘Ja.’

‘Maar hoe dan? Ook met een stok in haar keel en haar neus?’

‘Ja.’

‘Maar dan gaat ze toch huilen? Dat is toch zielig?!’

Morgen gaan we weer naar de teststraat. Inmiddels zijn ook de kinderen ‘veterans of the procedure’. De vorige twee keer hoopten we stiekem eigenlijk op positieve testen, want dan kun je ten minste en groupe in isolatie. Nu mogen we eindelijk hopen op een negatieve uitslag.

Stadstekenaar

Drie van de vier kinderen zijn aan het buitenspelen. Ze spelen jachtseizoentje. Dat is een van de dingen die kinderen tegenwoordig buiten doen. Wij deden tikkertje, verstoppertje, stand-in-de-mand of ram-in-de-kuil; een spel dat de organisatie achter Squid Game een-op-een op had kunnen nemen in hun programma, zonder enige aanpassing gewelddadig genoeg, maar dat terzijde.

Onze kinderen spelen Gargamellen, Pokemon en Jachtseizoen. Andere tijden. Vraag me niet naar de regels, ik heb er maar een vaag idee van. Maar goed. Ik was dus alleen met de dochter van zeven.

‘Een papa-en-ik-momentje!’ riep ze verheugd. ‘Kom papa, we gaan knutselen, want ik zit altijd maar te tekenen!’

Dus gingen we knutselen. Iets met zeemeerminnen en pompoms. Ik bespaar jullie de details, maar het was een hoop gefriemel met wol. Het duurde vijf minuten totdat de dochter van zeven alles ongeduldig terug smeet in de knutseldoos.

‘Ik heb geen zin meer. Ik wil tekenen.’

We tekenden Sinterklazen, Pieten en Marokkaanse prinsessen.



‘Hoe teken je iemand van opzij?’ vroeg ze zich plotseling af. ‘Ik teken altijd mensen van voren. Nooit van opzij. Papa, we gaan oefenen.’

Dus pakten we er foto’s bij van mensen opzij en tekenden ze na. Soms moest ik het voordoen, soms moest ik me nergens mee bemoeien. En zo leerde ze uit eigen initiatief en een oprechte vraag hoe je mensen van opzij tekent. Weer een skill toegevoegd aan het kunstzinnig arsenaal.

Toen kwamen de drie ‘hunters’ weer binnenrollen en kwam er aan het knutsel-en-tekenmomentje een abrupt einde. 

De zoon van elf bewonderde ons werk.

‘Hebben jullie dat zelf getekend?! Jemig. Je moet geen stadsdichter worden, papa. Maar, stadstekenaar.’

Kindercabaretier

‘Er zit een meeuw in de koelkast, wat nu gedaan?’ zingt de zoon van negen terwijl hij zijn ontbijtje klaarmaakt. Drie andere kinderen liggen volledig in een deuk.

Kindercabaretier.

Hij heeft sowieso de lach aan zijn kont hangen met zijn uitgesproken mimiek en impulsiviteit. Maar vooral andere kinderen hebben plezier om hem. 

Het heeft een keerzijde, want succes is aanstekelijk en als hij eenmaal de lachers op zijn hand heeft, kan hij alleen nog maar de clown uithangen en gaan alle remmen los. Meestal ontaardt dat in chaos. Broer van elf denkt dat het vooral leuk is als hij sla-bewegingen gaat maken en de zus van negen gaat aan mensen hangen en sleuren. Zusje van zeven springt overal tussendoor en overschreeuwt iedereen. 

Wat doet de kindercabaretier? Hij maakt zenuwachtig kalmerende gebaren in de stijl van Jochem Myjers overspannen schoolmeester imitatie, ‘Erik, doe rustig’ scanderend, en ‘zo kan ik niet met je werken.’

Het zal niemand verbazen dat het ontaardt in een volstrekt gekkenhuis. Als hij het zelf ook te veel vindt worden, trekt hij zich terug in de keuken.

‘Zit die meeuw nog in de koelkast?’ roept grote broer hem glunderend achterna.

‘Nee,’ klinkt het zuchtend uit de keuken. De kindercabaretier is het zo te horen helemaal zat.

Maar dan is het toch sterker dan hemzelf. 

‘Hij zit in het vriesvak.’

Spreeuwen

We staan met zijn allen tegen het raam geplakt. Een wolk van spreeuwen waaiert als een gordijn langs de hemel en neemt verschillende vormen aan boven de achtertuin. De hele lucht zit vol. De kinderen bekijken het met opengevallen monden. Het is een soort van Noorderlicht, maar dan zwart gespikkeld.

‘Het lijken wel vissen!’ roept de dochter van zeven.

En ik begrijp meteen wat ze bedoelt. Het is net een school vissen die zich door het water beweegt, maar in plaats van vissen zijn het vogels. Spreeuwen. En ineens landen ze allemaal in onze tuin en die van de buren. Ze gaan in toerbeurten tekeer in de druivenstruik van de buren en onze frambozenstruik. Tussentijds wisselen ze elkaar af op de schutting en wie geen spinnen vangt, fatsoeneert zo zijn veren een beetje.

Het is een geritsel van jewelste en overal fladderen vleugels. Alfred Hitchcock zou er inspiratie mee opgedaan kunnen hebben. We kijken het in stilte aan. Het is een overweldigend stukje natuur dat je door je eigen raam ziet. Gewoonlijk zien we wel wat koolmeesjes of merels. Kauwen en meeuwen ook. Soms zelfs een verdwaalde Vlaamse gaai. Maar zo’n enorme invasie van honderden vogels tegelijkertijd is indrukwekkend.

En dan, als bij een voor ons onhoorbaar signaal, stijgen ze allemaal ineens weer op en vliegen in noordelijke, en dan opeens toch westelijke richting weer weg. De rust keert weer en de tuin is opeens weer de tuin. Toch blijven we er nog even naar staan kijken vanachter het raam. Het was een bijzonder moment en we zijn allemaal aarzelig om het los te laten.

‘Hé, daar zit er nog eentje,’ wijst de dochter van zeven naar het schuurtje van de achterburen, waar inderdaad op het dak nog in zijn eentje, één spreeuw zit. Alles wat overgebleven is van de zwarte storm die voorbij raasde.

‘Sad-life spreeuw,’ zegt de zoon van elf.